Beloken Pasen: Handelingen 2,42-47; Johannes 20,19-31
19 aril 2020, Henk Jongerius o.p.
Dominicanen Huissen

Vandaag hoorden wij het officiële slot van het evangelie van Johannes.
Het hoofdstuk dat hierna komt, is er later aan toegevoegd.
In de laatste regels vat de evangelist nog eens samen waarom hij deze woorden heeft opgeschreven: ‘opdat gij zult geloven dat Jezus is: de Gezalfde, de zoon van God en opdat gij, gelovend, leven hebt in zijn naam!'

Johannes spreekt over geloven als over ‘zien'.
Wij hoorden het van Maria Magdalena die Jezus ziet bij het graf en ook over de twee leerlingen die naar het graf gingen.
Het is daar de geliefde leerling die ‘ziet en gelooft' en vandaag horen wij over Thomas die er niet bij was toen Jezus verscheen aan de leerlingen en graag wil zien. 
Hij wil eerst de tekenen van Jezus' lijden zien en aanraken alvorens hij gelooft.
Die Thomas is een bijzondere man, hij wordt ook wel Di-dymus genoemd wat tweeling betekent.
Een wonderlijke aanduiding waarin wij mogen beluisteren dat wij die van hem horen als een tweeling met hem verbonden zijn, als twee druppels water op hem lijken.
Hij wijst ons vandaag de weg die naar het waarachtige zien van Jezus leidt. 

Ook wij hebben, net als Thomas, de Heer niet gezien en moeten afgaan op wat ons over hem verkondigd wordt en daar hebben wij, als je de taal van het verhaal goed begrijpt, een week voor nodig.
Die week doet denken aan de dagen van de schepping. 
Geloven is langzaam maar zeker tot het inzicht komen dat deze mens, gemarteld, gekruisigd en vermoord, degene is die ons zal her-scheppen tot nieuwe mensen.
Het is op de eerste dag van de week, de achtste dag, dat Jezus blaast over zijn leerlingen en dat herinnert ons aan God die de levensadem blaast over Adam, de mens, zodat hij werkelijk kan leven. 

Het is met andere woorden - voor wie het kunnen zien - God zelf die in Jezus een begin maakt met een nieuwe schepping.
Dat wordt treffend verbeeld in de Handelingen van de apostelen waar wij horen hoe dat nieuwe leven eruit ziet: ‘allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk.
Zij verkochten hun bezittingen en verdeelden alles onderling'.
Hier zien wij de nieuwe schepping voor ons, waar mensen waarachtig delen met elkaar.
Ook Thomas is gegroeid naar dit nieuwe leven en brengt dat indrukwekkend naar voren als hij zijn geloofsbelijdenis uitspreekt: ‘mijn Heer en mijn God'.

In de tijd waarin het Johannesevangelie werd geschreven, was dit een cultische formule waarmee de keizer van Rome zich liet aanspreken.
Als Thomas, de gemeente van Jezus of wij als kerk dit van hem zeggen, betekent dit dat Hij de ware koning en vorst van deze wereld is.
Het is de belijdenis van de Ene God die in het leven van Jezus onder ons verschenen is.
Er wordt hier dus geen kerkelijke dogma van de opstanding uitgesproken maar getuigenis afgelegd van ons vertrouwen in Jezus die de Opgestane is die in ons midden leeft.
Hem mogen wij ons leven lang vertrouwen, want hij zal tot ons blijven spreken van het lijden dat hij heeft ondergaan en de nieuwe toekomst die in hem begint.
Hij spreekt tot op vandaag een woord van vrede tot al wie hij ontmoet, het kwaad is dood verleden, de schepping wordt weer goed!

 

terug naar openingspagina