“HINENI”: Hier ben Ik.

“Daarom zal mijn volk mijn naam erkennen op die dag: erkennen dat Ik het ben, Ik die zeg: “Hier ben Ik”. (Jesaia 52, 6.)

“Samuel stond op, ging naar Eli en zei: “Hier ben ik. U heeft mij toch geroepen”. ( 1 Samuel, 3,6.) 

Ik antwoordde: “Hier ben ik, zend mij`. (Jesaia 6, 8.)

 

Magnified, sanctified, be thy holy name
Vilified, crucified, in the human frame
A million candles burning for the help that never came
You want it darker

Hineni, hineni,
I'm ready, my lord.

(Leonard Cohen: “If you want it darker”.)

 

Ik ben de onuitsprekelijke stilte.
Ik ben het uitspreken van mijn naam”.
(“Donder, volmaakt bewustzijn.”)

(Nag Hammadi-geschriften.)

-------------------------------------

“Hier ben ik”: ik meld mij als present. Naam van de Eeuwige; antwoord van de mens, die present is voor de ander en/of voor DE ANDERE.
In dat “Hier ben ik”, vallen blijkbaar de Eeuwige en de biddende mens samen: één naam voor beiden.
En in dat “hier ben ik” stelt een mens zich in mededogen aanwezig voor de ander, die hem/haar nodig heeft.
“God is liefde” heet dat in de Johanneïsche geschriften.( 1 Johannes 4,8.)

De Eeuwige is aanwezigheid.
Dus kan God nergens anders zijn dan overal.
Buiten God is er niets en alles wat bestaat en leeft, alles wat gebeurt, alle schoonheid, menselijkheid, mededogen en vriendschap, alle pijn en verdriet, alle hoop en wanhoop, alle ondergang en redding, alle misdaad en vergeving, is een gebeurtenis-in-God.
In die zin verandert God voortdurend omdat de werkelijkheid, omdat wij zelf en ons denken en voelen, voortdurend evolueren, hopelijk ten goede.
Alle pogen en alle falen, alle onmogelijkheid en alle streven spelen zich af in het lichaam van God, dat “de Werkelijkheid” genoemd wordt.
God is dus letterlijk de ”Mede-lijdende”.
Maar ook de “hoop op verlossing”: de opstanding uit alle ondergang en dood, de toekomst: de:”IK-ZAL-ER-ZIJN”.

Er bestaat geen werkelijkheid tegenover God, alsof God hier zou zijn en de geschapen werkelijkheid daar, los van Hem en tegenover Hem.
Niets kan immers vallen buiten de aandachtige en scheppende liefde, die God is.
Het zou dan immers buiten het bestaan vallen, niet plaats vinden binnen het: “Hineni”: Hier ben Ik.

Rond 1315 zei Meister Eckhart o.p. al:

(Over Genesis 1.)
Het zijn is God.....
Dus als God niet is, is er niets.........
God werkt alles, wat Hij schept, werkt en doet, in Zichzelf.
Want wat buiten God is en buiten God wordt, is en wordt buiten het zijn.
Ja, dan wordt het absoluut niet, want het zijn is de grens van alle worden........het is dus een verkeerde voorstelling, alsof God de geschapen dingen buiten Zichzelf gezet had in een soort van onbegrensde leegte.

God riep de dingen uit het niets: uit het niet-zijn, tot het zijn, dat zij in Hem vinden.
Waar zouden de schepselen kunnen zijn, als ze niet in het zijn, als oergrond, zouden zijn? ......
Buiten het zijn kan er niets zijn.....
Hij heeft dus alles "In den beginne" geschapen, want in Zichzelf, in het "in den beginne" zelf.
(Alles is in God:NU)

God heeft alles zo geschapen, dat Hij niet met scheppen opgehouden is, maar dat Hij altijd door schept en tot scheppen komt.

(Opus tripartitum.)

------------------------------

Maar al onze woorden en gedachten, al onze intellectuele constructen schieten faliekant tekort, als het over God gaat.
Want al onze begrippen en woorden, al onze kennis, ontlenen wij aan de bestaande dingen waartussen wij opgroeien en leven.
Ons verstand kan niet anders.
Maar God is niet ”een van de bestaande dingen”.
Hij is geen object naast een tafel, een dier, een mens, een appeltaart.
Hij is niet objectiveerbaar en dus niet kenbaar, want dan zou God beperkt zijn: dit en niet dat.
God is het zijn van de zijnden”, probeerde Thomas van Aquino o.p. rond 1250 te stamelen.

Reeds in het eerste begin van de Woestijnwijsheid, waaruit Jodendom, Christendom en Islam ontsproten, werd deze “Beeldenstorm” ingezet.
Ieder woord en begrip is immers een beeld, ontleend aan de ons omringende werkelijkheid, dus een afgod.
Van dit “Ik ben er” werd daarom terecht gezegd: “ Ik ben de onuitsprekelijke stilte”. 1)

 Gregorius van |Nazianze bad rond 380:

" O, Gij, "Voorbij alle dingen"; hoe anders U noemen, Onnoembare, Gij?
Hoe kunnen woorden U loven, Gij, door geen woorden te noemen?
Hoe zullen gedachten U bereiken, Gij, door geen denken te bereiken?
Gij, Enige, Onuitsprekelijke, en elk woord komt van U.
Gij, Enige, Onkenbare, en alle kennis komt van U.
Al wie spreekt - Al wie verstomt - verheerlijke Uw Naam.
Al wat denkt, al wat niet denken kan, - verkondige Uw lof.
Verwachting overal en stil verlangen, alles reikhalst naar U,
alles bidt tot U, terwijl al wie Uw innerlijk geheim bevroedt,
een lied vol stilte zingt.  

Voor U alleen blijft het al bestaan,
naar U hunkeren alle dingen,
Gij, aller doel en eindmeet, Gij alleen.

................

O, Gij, "Voorbij alle dingen".
Hoe anders U noemen,
Onnoembare, Gij?" 2 )

-----------------------------

Maar die tekst uit de Nag Hammadi-geschriften zegt ook : “ik ben het uitspreken van mijn naam”. 1)
Welke menselijke ervaring zit in deze wijze spreuk?

Het eerste, dat mij opvalt, is dat beide spreuken tot één uitspraak zijn samengevoegd, terwijl dat logischerwijze onmogelijk is.
“Onuitsprekelijk” en “uitspreken” sluiten elkaar immers uit.
Maar juist door die logische onmogelijkheid word ik op de grens van mijn denkend vermogen geplaatst en gewezen op de ontzaglijke ruimte voorbij mijn kennen.
Deze onmogelijkheid dwingt mijn blik in de richting van het “ Voorbij alle dingen”.
In de richting van “de wolk van het niet-weten”, zoals een Engels mystiek geschrift heet.

Of in een Nederlands gedicht:

Er is vandaag weer veel meer dan er is,
M
aar wat het is, ik kan het je niet zeggen,
Er is geen uitleg voor, niets dan dit inzicht
In een temeer,
Een oeroud veel te veel.
Zie ik het niet, ik zie het als tekort.
En houdt het op, ik voel het als gemis.
Meer weet ik niet, meer kan ik je niet zeggen.
En die het weten die vertrouw ik niet.

(Richard Schuagt. )

De Eeuwige is voorbij, zowel voorbij “onuitsprekelijk” als voorbij het “uitspreken”, want ook dat zijn begrippen uit onze beperkte wereld en dus niet van toepassing op de Eeuwige.

Maar er is méér.
Als ik de Onnoembare tot een naam maak, dan zal de Eeuwige voor mij – voor ons – het karakter krijgen, dat in die naam is vervat.
Hij zal koninklijk zijn, als ik Hem koning noem; strenge rechter, als ik hem strenge rechter noem; onverbiddelijk,als ik Hem onverbiddelijk noem; oneindig genadig, als ik Hem oneindig genadig noem, enz.
Het is dus een zaak van zeer groot belang binnen de Godsdienst, dat ik de Onnoembare schone en heilzame namen geef.
Want die naam wordt het gezicht, waarin de Oneindige naar mij – naar ons – kijkt; niet omdat de Eeuwige zo is, maar omdat de Eeuwige zo voor mij, voor ons is.

Wat hebben mensen niet geleden onder een Godsbeeld, dat onverbiddelijk met de hel dreigde, als ik zwaar gezondigd had.
Want wanneer is dan een zonde zwaar in Zijn ogen?
Mag de officiële kerk dat bepalen?
Wel, dat deed ze vaak klip en klaar en joeg zo vele mensen de stuipen op het lijf.
Wat een bevrijding kan het dan zijn om atheïst te worden,of tenminste onkerkelijk!
Of wat een bevrijding kan het dan zijn, als je van de mystici leert, dat God “voorbij al die namen” is.
En dat de enige naam, die nog het minst ver van de Onnoembare af staat, het woord: oneindige barmhartigheid, of onvoorwaardelijke liefde, of erbarming is.
Als je de Onnoembare dan toch een naam geeft, laat die naam dan bevrijdend, lichtend en opbeurend zijn: een naam-die-heil-aanzegt. Anders kan je beter zwijgen.

Maar de heilige boeken spreken toch ook vaak dreigende taal?!

En wordt er in de kerkdiensten na de lezing uit de heilige Schrift niet gezegd: “Zó spreekt de Heer”?
Wel, laten we om te beginnen vaststellen, dat niet de Heer zo spreekt, maar dat de schrijver van dit of dat boek de Heer zo láát spreken!
De werkelijkheid is, dat de profeet Ezechièl of de evangelist Mattheus zo spreken namens hun Heer.
Het is vaak zeer de moeite waard – ook niet altijd! – om te luisteren, hoe zij de stem van de Eeuwige verstaan.
Zo laten zij dan de Eeuwige ons aanspreken en nu is het de vraag, wat daarop ons antwoord is.

Maar nu kan ons eerlijke antwoord ook wel eens zijn: “Mijn God – de God in Wie ik geloof – ziet dat toch totaal anders!”

Als Samuel namens God de uitroeiing van een heel volk, met vrouwen, kinderen en babies, beveelt (1 Samuel 15, 3); als God blijkbaar het ombrengen van de gehele bevolking van de stad Jericho goedkeurt (Jozua 6, 21); dan zeg ik toch; “Oei; God moet nog heel veel leren, voordat Hij mijn God mag zijn!”
Om maar niet te spreken over de manier, waarop in het Eerste Testament namens God over homosexualiteit geoordeeld wordt!

Een Joodse vrouw zei mij eens, dat ze op de vraag, of ze in de God van de Bijbel geloofde, antwoordde: “De God van welke pagina?”

Juist omdat de Eeuwige woont in de onuitsprekelijke stilte, in de Lege, oningevulde Ruimte van mijn geest, in de “Wolk van het niet-weten”, heb ik het recht om kritisch naar al dat soort zogenaamde Gods-uitspraken te kijken; en dit natuurlijk ook, als zo'n uitspraak van een officiële kerkelijke instantie komt.
In die zin groeit God ook zelf tot meer menselijkheid, omdat in onze werkelijkheid die langzame groei naar meer humaniteit plaats vindt.
En onze werkelijkheid bevindt zich immers “In God”. 3)
Ook in dat opzicht is God niet de Totaal Andere, maar is de Eeuwige: Hineni: ”Hier – in de concrete Werkelijkheid en de hopelijk groeiende allesomvattend compassie – ben Ik.”.

April 2017.

Leo Raph. A. de Jong o.p.

Leerhuis Spiritualiteit. No.36.

============================

Noten.

1.  Nag Hammadi geschriften: “Donder, volmaakt bewustzijn”.

2.  (GREGORIUS VAN NAZIANZE (Ongev. 380 na Chr.)
"Patrologia Graeca, S. Gregorii theol. carminum. Liber 1,
Theologica, blz. 507-508.
Vertaling: Ton van der Stap.)

3.  Vergelijk dit met de proces-theologie:

“Panentheïsme is een manier van spreken over God en de wereld die je ergens kunt plaatsen tussen pantheïsme ('alles is God') en klassiek theïsme (God en de wereld zijn strikt van elkaar onderscheiden). Panentheïsme ziet de wereld als een beweging in God. Het is een manier van denken die de moderne blik op deze wereld (worden in plaats van zijn, beweging en dynamiek in plaats van stilstand) theologisch vruchtbaar wil maken. In het wordingsproces van deze wereld 'wordt God' zelf ook..............God is dus in ieder geval niet degene die zorgt dat alles goedkomt. Geen 'almachtige voorzienigheid' of zo. De dingen kunnen zeer, zeer verkeerd gaan, zoals we maar al te goed weten. God is het absolute tegendeel van een 'onbewogen beweger'. God is de meest bewogen beweger. De wereld is het lichaam van God, en op die manier is God volledig betrokken in het grote experiment van de evolutie. Ik ga ervan uit dat het ook voor God vaak een zeer pijnlijk proces is. Maar uiteindelijk zullen we ons verder ontwikkelen, naar ik hoop in een richting van grotere wijsheid en een gevoel van verbondenheid met alles wat leeft."

(Catharine Keller, in interview: “ De wolk van het Onmogelijke”. Trouw, de Verdieping, begin april 2017.)


terug naar openingspagina