5de zondag van de veertigdagentijd: Johannes 11,1-45
29 maart 2020, Henk Jongerius OP
Dominicanen Huissen
 

Hoe meer je vertrouwd raakt met het evangelie volgens Johannes, hoe duidelijker het wordt dat de gebeurtenissen die hij vertelt eigen-lijk een getuigenis of een preek zijn.
Dat komt heel goed naar voren als wij letten op de plaats waar het verhaal zich afspeelt en de verschillende personen die er een belangrijke rol in spelen.
Dat is vandaag ook zo als wij het verhaal horen van de opwekking van Lazarus.

Het heeft allemaal plaats in Bethanië, het ‘huis van de armen', gelegen op de Olijfberg.
Op die berg liggen tot op de dag van vandaag de doden begraven waar, naar joodse overtuiging, op de laatste dag de opstanding van de doden zal plaats vinden, vlak bij Jeruzalem.

In het huis van de armen wonen Lazarus en zijn beide zussen Maria en Martha.
De naam van de vriend van Jezus betekent ‘God is Israëls helper' en het is die naam die werkelijkheid zal worden bij de komst van Jezus die zichzelf het licht noemt dat in onze wereld verschijnt.
Maria is de vrouw die aan de voeten van Jezus luistert naar zijn woorden en Martha is degene die het huishouden doet.

Hierbij moeten wij niet alleen denken aan de praktische zaken die bij huishouden horen.
In de Joodse traditie is de vrouw des huizes veel meer dan dat, zij is ook degene die het geloof doorgeeft.
Daarom is bij het vieren van de Sabbat de moeder degene die het licht ontsteekt, het geloof levendig houdt, waarna de vader uit de Schriften leest en erover vertelt.
Het is Martha die bij Jezus' aankomst voor hem neerknielt en zegt dat haar broer niet gestorven zou zijn als hij er was geweest.
Dat is een regelrechte geloofsbelijdenis, zoals zij eerder ook getuigd heeft van de opstanding der doden op de laatste dag.
Maar dan breekt het licht in de wereld door als Jezus haar zegt dat hij de opstanding en het leven is en dat wie in hem gelooft werkelijk zal leven.
Net zoals gebeuren zal op de morgen van Pasen is het een vrouw die haar geloof in Jezus uitspreekt.
Zij is werkelijk ‘de vrouw des huizes' zoals haar naam in het Aramees luidt, maar dan in de zin dat zij een ware moeder van Israël is die getuigenis aflegt over Jezus als de gezalfde van God.

Er is één moment in het verhaal dat mij bijzonder raakt en dat is de opmerking die de omstanders maken: ‘zie eens hoeveel hij van hem hield'.
Voor mij wordt hier het grondgeheim van dit hele gebeuren openbaar: het is de liefde voor mensen die Jezus zo doet handelen als het verhaal ons vertelt.
Hij is in levende lijve de belichaming voor de liefde die God mensen toedraagt.
Daarom zegt Jezus ook dat bij-zondere woord ‘Ik ben' de opstanding en het leven en klinkt de Naam op die ons leven draagt en gaande houdt tot over de grenzen van de dood heen.
In hem wordt het lied bewaarheid:

Voor mensen die naamloos,
kwetsbaar en weerloos
door het leven gaan,
ontwaakt hier nieuw leven, wordt kracht gegeven,
wij krijgen een naam.

Voor mensen die roepend
tastend en zoekend
door het leven gaan,
verschijnt hier een teken, brood om te breken:
wij kunnen bestaan.

Voor mensen die vragend,
wachtend en wakend,
door het leven gaan,
weerklinken hier woorden, God wil ons horen:
wij worden verstaan.

Voor mensen die hopend,
wankel gelovend
door het leven gaan,
herstelt God uit duister Adam in luister:
wij dragen zijn naam.

Dat het zo mag blijven, alle dagen van ons leven.

 

terug naar openingspagina