Dominicanen Huissen
22 maart 2020, Antoon Boks OP

4de zondag van de Veertigdagentijd:

1 Samuel 16: 1b, 6-7, 10-13a; Johannes 9: 1-41

Het evangelie van vandaag geeft ons een levendig en dramatisch wonderverhaal.
Het gaat niet alleen om de genezing van de blinde man, maar vooral over wat er gebeurt als de man geconfronteerd wordt met tegenstanders en mensen die niet geloven in wat er gebeurde. Laten we naar dit hele verhaal kijken.
Johannes heeft het zo opgeschreven.

Hij begint met de toen wijd verbreide overtuiging dat ziekte en ongeluk werden veroorzaakt door iemands zonde.
Mensen wilden eigenlijk God de schuld geven voor alles wat er met mensen gebeurt.
Maar ze gingen te ver.
Het geloof schreef ook geboorteafwijkingen toe aan de zonde van de ouders of de zonde van de baby terwijl hij nog in de baarmoeder zat!
Wanneer de leerlingen wijzen op de man die blind was vanaf de geboorte komen ze met een toen veel gehoorde mening, “Rabbi, wie zondigde, deze man of zijn ouders, dat hij blind geboren is?”

We kunnen misschien makkelijk praten over hun naïviteit, maar we horen nog steeds dat ziekte of ongeluk wordt toegeschreven aan God en aan onze daden.
“Ik moet wel iets vreselijks gedaan hebben dat God mij op deze manier straft.”
Wanneer we al de verwarring en het verstoorde leven voelen dat lijden en nu ook de besmetting met corona-virus veroorzaakt, hoe triest is het dan om extra belast te worden omdat we denken dat God de bron van onze pijn is en dat het een straf is voor iets wat we hebben gedaan!
Hoeveel isolement kan zo'n gedachte veroorzaken: geloven dat zelfs God niet bij ons is en dat er mensen om ons heen zijn, die dat ook denken.

Hun gedachten leken een poos geleden wel heel erg gek, maar hoeveel mensen in onze ‘verlichte' wereld denken nog steeds dat armoede, en de daaruit voortvloeiende kwalen zoals ziekte en korte levensduur, de schuld zijn van diezelfde armen?
Jezus beantwoordt hun vraag: “Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd.”
De schuld ligt ergens anders; misschien zelfs bij de mensen die anderen de schuld geven voor hun erbarmelijke omstandigheden!
Inderdaad, Jezus Christus wil iets doen dat de fysiek blinde man en andere mensen --ook wij-- zal verlossen van onze blindheid.
Hij geneest twee vormen van blindheid bij de man en de leerlingen.

In zijn reactie op de vraag van de leerlingen suggereert Hij dat ook wij betrokken moeten zijn bij wat er gebeurt.
Onze niet verlichte manier van denken wordt hopelijk veranderd door deze woorden.
We moeten stoppen met het vinden van excuses voor ons gebrek aan betrokkenheid bij de behoeften van de wereld; we moeten een einde maken aan de situaties die blijvende ellende veroorzaken in het leven van vele mensen en dat geldt voor onze gedachten over ras, geslacht, economische toestand of seksuele geaardheid van anderen.
We worden uitgenodigd om onze medemensen te zien in een waar licht.

Jezus nodigt de blinde man uit zich te wassen in het bad van Siloam.
Johannes herinnert ons daarmee aan het feit dat wij door ons doopsel dragers van licht moeten zijn.
Eerst dacht de blindgeborene alleen, dat Jezus een profeet was.
Dat was al reden genoeg om hem in de problemen te brengen bij de religieuze autoriteiten.
Hij wordt geëxcommuniceerd. Later spreekt hij zijn geloof in Jezus uit: “Ik geloof, Heer.”
En Johannes voegt eraan toe dat hij Jezus aanbad. Hij is van fysieke blindheid genezen en nu ziet hij wie Jezus is.

Het verhaal weerspiegelt ook de ervaring van de gemeenschap rond Johannes.
Als tot Christenen bekeerde Joden dachten ze eerst dat ze Jezus konden volgen binnen het Jodendom.
Misschien leek hun geloof op de eerste fase van het geloof van de van zijn blindheid genezen man: ze geloofden dat Jezus een profeet was.
Maar hun geloof ging later verder.
Uiteindelijk bracht hun geloofsbelijdenis hen in de problemen met hun Joodse families en vrienden.
Net als de blinde man werden ook zij verbannen.
Stel je voor hoe moeilijk het volgen van Jezus voor hen was geworden.
Het begon allemaal gewoon genoeg, maar ze konden zich niet voorstellen hoe ver van hun oorsprong en vroegere levens hun nieuwe inzicht hen zou leiden

Net zoals de eerste etappe van het genezen van het zicht van de man niet het einde was van zijn komst naar het licht, geldt dat ook voor ons.
In ons doopsel kregen we het visioen van Jezus als Heer.
Met de blinde man aanbidden wij Hem ook.
Maar of we nu gedoopt werden als baby's of later in ons leven, dat was slechts de eerste stap.
We kunnen zeggen, dat we eens in duisternis waren, maar nu in het licht van de Heer zijn, maar dan moeten we ook leven als kinderen van het licht.
Makkelijker gezegd dan gedaan.
Alleen gelaten weten we dat dit niet mogelijk is, maar we staan er sinds ons doopsel niet alleen voor.
Jezus is gekomen om ons te vinden en ons te vergezellen op onze weg.
We kijken naar Hem om werkelijk kinderen van het licht te zijn.
We weten dat we dat licht nodig hebben, omdat we, net als de blinde man, dagelijks worden uitgedaagd door een ongelovige wereld.
Tijdens de Paaswake worden we uitgenodigd om via de Paaskaars en het nieuwe doopwater ons opnieuw toe te keren naar het Licht dat ons leidt in een wereld waarin we dagelijks licht van duisternis moeten onderscheiden.

Moge dat iedere dag een werkelijkheid zijn in ons leven.

 

Klik voor de preek in pdf (print-vriendelijk) hier.

terug naar openingspagina