Overweging in de internetviering van 22 maart 2020

vierde zondag van de veertigdagentijd – lezing Johannes 9

1.

Gezien worden en zien, daar draait het om in het evangelie dat we lazen.
Jezus leerlingen zien de blindgeborene wel, maar zij zien hem als iemand waarmee iets mis is, een probleemgeval.
Jezus ziet iemand die gemaakt is voor een leven dat goed is, net als iedereen, en die daarnaar net als Hij hartstochtelijk verlangt.
God is naar Bijbelse overtuiging niet alleen aanwezig en werkzaam, God wil aan het licht komen, zichtbaar als de goedheid waarop ons leven gericht is en die ons leven draagt dwars door alles heen. In het evangelie brengt Jezus God aan het licht.

?Jezus maakt modder door op de grond te spugen, Hij smeert die modder op de ogen van de blindgeborene en draagt hem op om die te gaan afwassen.
Wie iets van Gods goedheid wil zien, die moet geen smetvrees hebben, niet bang zijn zich te bevuilen met de pijn en de moeite die bij ons bestaan, met de afhankelijkheid en de gebondenheid die bij deze wereld horen.
Maar het is ook nodig om van tijd tot tijd alles wat je vanuit deze afhankelijkheid en gebondenheid denkt te weten van je ogen af te wassen.
We moeten van tijd tot tijd in onze verwachtingen geschokt worden, in onze zekerheden aangetast.

2.

We leven op dit moment onder de angst voor een virus dat ervoor zorgt dat mensen ernstig ziek worden en zelfs sterven.
We weten niet hoe wij het hebben: onze gebruikelijke routines voldoen niet langer.
De ultieme paradox is dat wij het beste voor elkaar zorgen niet door elkaar nabij te zijn, maar door elkaar flink op afstand te houden.
Bizar.
Hebben wij iets fout gedaan, of onze voorouders?
De echte vraag is of wij begrijpen dat deze crisis ons kan helpen opnieuw te leren zien.
Dat zal ingrijpend zijn.
Als hij zien kan wordt aan de blindgeborene in het evangelie gevraagd of hij nog wel dezelfde persoon is.
Wie waarachtig gaan zien, vinden zichzelf terug in een andere wereld, gaan daardoor anders doen en zullen uiteindelijk ook anders worden.
Willen we anders worden, begrijpen we dat het nodig is om anders te worden?
Beseffen wij dat we in de wieg zijn gelegd niet om te doen wat ons gezegd wordt en te zijn wat ons wordt voorgehouden, maar voor een situatie waarin het goede zich naar ons toekeert, en wij in een nieuw licht komen te staan, er in nieuwe ruimte voor ons wordt geopend en wij op een kwalitatief nieuwe manier zullen blijken te kunnen leven?

De blindgeborene waar het Johannesevangelie over vertelt ziet zichzelf in een nieuw licht en vindt zichzelf terug in een nieuwe ruimte.
Er wordt hem voorgehouden dat het allemaal illusie is, maar hij weet onherroepelijk zeker dat hem iets goeds is overkomen.
In een zinnetje dat ik zojuist bij het voorlezen van het evangelie heb overgeslagen om dat niet langer te maken dan het toch al was, zegt de blindgeborene dat hij uiteindelijk maar een ding weet: “Dat ik blind was en nu zie.”
Dat feit heeft zijn hele leven veranderd, op basis van dat feit probeert hij zijn verdere leven te leiden.
Als dit betekent dat hij in onmin moet leven met de gemeenschap waaruit hij voortkomt en haar leiders, dan moet dat maar. Hij ziet en het is voor hem onmogelijk geworden om niet te zien, of te doen alsof hij niet ziet.
Maar wat ziet hij?

3.

Jezus, die er eerst voor heeft gezorgd dat de blindgeborene kan zien die zorgt er vervolgens voor dat hij blijft zien.
Als je in de waarde van het zien gelooft dat je ten deel is gevallen, zegt Hij, dan doe je er goed aan in Mij geloven. Jezus' tegenstanders noemen zich in het evangelie leerlingen van Mozes en van Mozes wordt gezegd dat God met hem sprak ‘van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt' (Exodus 33,11).
Als Jezus zichzelf tegenover de blindgeborene ‘de Mensenzoon' heeft genoemd, dan voegt hij hieraan toe: ‘dit is Degene die je ziet, Degene die met je spreekt'.
Dit is wat de blindgeborene ziet: dat in en door Jezus God van aangezicht tot aangezicht met mensen spreekt.
Volgens het Bijbelboek Deuteronomium (18,15) heeft Mozes zelf voorspeld dat God uit het Joodse volk een profeet zal laten opstaan als hij, en de blindgeborene lijkt aanvankelijk te denken dat Jezus de vervulling van deze belofte is: hij noemt Jezus ‘een profeet'.
Maar uiteindelijk blijkt de blindgeborene geroepen zelf de vervulling te zijn van deze belofte.
In hem wordt zichtbaar dat wij allemaal, als wij steeds opnieuw bereid zijn ons van onze blindheid te laten genezen, geroepen worden om profeten te zijn als Mozes: mensen met wie Gods spreekt van aangezicht tot aangezicht.
God spreekt met ieder van ons, face to face, zo dichtbij als wij elkaar nu vanwege het besmettingsgevaar niet mogen komen.
Wat er verder ook wegvalt en verandert, dit blijft en dit houdt ons in leven.

?Dit zou de coronacrisis ons misschien kunnen leren zien: dat we nergens anders van leven dan hiervan.
Niet van de activiteiten waarmee wij onze dagen vullen, niet van de woorden waarmee we onze angsten bezweren, zelfs niet van de vormen waarmee wij Gods geschiedenis met ons gedenken.
Hoe pijnlijk het ook is, uiteindelijk kunnen we zelfs zonder eucharistie en zonder de Paasliturgie, in ieder geval tijdelijk.
Niet omdat wat daarin aan de orde is niet van belang of betekenis zou zijn.
Integendeel, omdat wat daarin aan de orde is de blijvende grond is van alles wat belang en betekenis heeft.
‘Ik ben degene die met je spreekt, zegt Jezus, met jou en jou en jou en mij en jullie, en zo met ons.
‘Ik geloof', zegt de blindgeborene die hiermee laat zien dat hij ziet.
Meer is er niet nodig.

 

Erik Borgman,
Huis van Dominicus,
Utrecht

22-03-2020

terug naar openingspagina