De Barmhartige Samaritaan was een Palestijn.

 

1996: Wij zijn op studiereis in Israël. " Wij ", dat zijn een aantal dominees van verschillende protestantse pluimage, een R.K.pastoraal werker en zijn vrouw, onze eigen - helaas zo vroeg overleden - co-pastor Luce Dentener en ondergetekende. Maandagmorgen om 9 uur verlaten we ons hotel in het Palestijnse gedeelte van Jerusalem om naar de Klaagmuur te gaan. Daar vindt de " Bar Mitzwa " plaats, een plechtigheid, waarbij twaalfjarige jochies ter beoordeling van een rabbi een Hebreeuwse tekst uit de Thora correct moeten voorlezen. Als hun dat goed afgaat, zijn ze als volwassen mannen lid van de synagoge. Iedere keer, als de rabbi tevreden is, stijgt er luid gejuich op en zijn er snoepjes, gelukwensen, muziek en zelfs dansen. Wij hebben de bagage in het hotel achtergelaten. In de namiddag zullen wij die oppikken om naar een andere plaats te gaan.

En dan slaat bij mij het grinnikend noodlot toe. Ik wordt " aan alle kanten " misselijk. Ik zal u de nadere pikante details besparen, maar iedereen, die in het Nabije of verre Oosten gereisd heeft en direct of indirect met het kraankwater in contact is geweest, weet nu waarschijnlijk uit eigen ervaring, wat ik bedoel! Ik ga terug naar het Palestijnse hotel, want ik had geen andere keuze. Luce ging met me mee. Aan de balie vroeg ik om een kamer voor een paar uur, zodat ik mij kon verschonen, douchen en slapen. Natuurlijk wilde ik ervoor betalen, zei ik.

Ik kreeg direct een ruime, koele kamer, die al helemaal voor een nieuwe gast was klaargemaakt. Luce hielp me, waar ze kon. Na een schoonmaakbeurt en een uur of vier slapen, voelde ik mij nog niet best, maar wel een heel stuk beter.

Het is kwart voor vijf. De groep komt terug uit Jerusalem. De bagage wordt ingeladen en we maken ons gereed om verder te reizen. Ik kom naar beneden en ga naar de balie om af te rekenen. De balie-medewerkster vraagt me om een ogenblikje te wachten, want dat moet geregeld worden door de manager. Die komt en vraagt wat er aan de hand is. Ik vertel hem het een en ander en vraag om de rekening, want " Ik had de handdoeken, de douche en het bed gebruikt. Dus de kamer moest opnieuw worden gereinigd en klaargemaakt voor een nieuwe gast".

De Palestijnse manager heft de handen omhoog en zegt: " Daar komt niks van in! Daar bereken ik geen kostprijs voor!". Ik zeg nog, dat enige betaling toch heel redelijk is, want het hotel had voor mij onkosten gemaakt. Hevig protest! "Mijnheer, het was ons echt een eer en een vreugde, dat wij u bij uw ziek-zijn een beetje mochten helpen. Ik wens absoluut geen betaling!"

Oei, daar sta ik dan met mijn Westeuropees gevoel van de balans tussen kosten en baten! En van de "ramp " van een lagere winst ! En van de opvatting, dat je " zakelijk" en " persoonlijk " strikt gescheiden moet houden. Ik weet niet beter te doen, dan zo uitvoerig mogelijk mijn dank uit te spreken en dan naar onze bus te gaan. Zo kwam ik volkomen onverwacht in contact met de heilige wet van het Midden Oosten: de belangeloze gastvrijheid.

We reizen verder. Op de achtergrond hoor ik de echo van een verhaal van een andere bewoner van deze streek: van Jezus van Nazareth. Ik bedoel natuurlijk de parabel van de Barmhartige Samaritaan, die ook een " Andersdenkende " was, maar de Naam van de Eeuwige: " IK-ZAL-ER-ZIJN-VOOR-JOU " beter had begrepen, dan menige aanhanger van het Ware geloof.

En nog verder op de achtergrond zie ik God - of was het Allah? - even glimlachen.

Leo Raph. A. de Jong o.p.

(08-01-2011)