Mijn geprek met het kerkgebouw van het Steiger.

15 mei 2010.

Wist u, dat de gemiddelde tijd, die een museumbezoeker aan het bezien van een kunstwerk besteedt, ongeveer 18 seconden is?! Lijkt me ontzaglijk onvoldoende voor het kunstwerk om mij iets te kunnen zeggen. Ik vermoed trouwens, dat het kunstwerk dan eenvoudigweg de moeite niet doet om mij iets te zeggen. Met iemand, die zo'n haast heeft, ga je toch geen diepgaand en intiem gesprek aan?!

Boeiende Nederlandse gezegden zijn dat, trouwens: " Iets zegt me wat. Dat zegt me niks. Dat heeft me heel veel gezegd, of gedaan". In intiem gesprek met een voorwerp, een boom, een gebouw, een schilderij, een kerk, een landschap, noem maar op! Ik ga u iets vertellen over mijn intiem gesprek met dit kerkgebouw. U behoeft het er absoluut niet mee eens te zijn. Want in feite gaat het niet tussen u en mij. Het gaat tussen mij en dit gebouw.

Komt een katholiek echtpaar uit Limburg deze kerk binnen. " Dit is natuurlijk een protestantse kerk", zegt mevrouw tegen mij. " Neen, mevrouw, het is echt een katholieke kerk!", is mijn antwoord. " Dat kan niet! Het is hier zó leeg......"

Komt een dominee met vrouw uit het noorden des lands deze kerk binnen. "Oei! Wat een ontzaglijk Roomse kerk!"
"Vindt u??" vraag ik beleefd. "Moet je dat altaar zien! Een ontzaglijk zwart offerblok boven op een hoge berg! Ik kan me niet voorstellen, dat je het offerkarakter van iedere heilige Mis/Avondmaal sterker zou kunnen uitbeelden!. En dat is dus typisch Rooms en NIET protestants!

In gesprek met dit kerkgebouw. Ieder gesprek is uniek, persoonlijk en intiem. Soms komt er ook helemaal geen gesprek: " Het zegt me allemaal niks!" . Dat is toch ook een eerlijke reactie? Je behoeft toch niet met alles en iedereen een echt gesprek aan te gaan?! Maar pas wel op! Voordat een gebouw of een kunstwerk tot mij gaat spreken, moet ik er wel veel tijd voor uittrekken. Ik ben voorbijgaand, vluchtig. Zo'n kunstwerk is bestemd voor vele tientallen en misschien honderden jaren. Wil zo'n oeroud kunstwerk mij iets willen zeggen, dan moet ik er wel de tijd voor nemen. Anders neemt ook het kunstwerk niet eens de moeite.....

Het duurde een paar jaren, voordat dit gebouw tot mij begon te spreken. Eerst had ik het veel te druk met de woorden, liederen, sacramenten, preken, vieringen, die in dit gebouw moesten plaats vinden. Pas langzamerhand kwam het gesprek op gang. Het ging en gaat over God en over Godsdienst, over spiritualiteit en beleving, over mij, in relatie met mijzelf, met mijn medemensen, met de wereld om mij heen, en met de Eeuwige. Over dit laatste vooral, tenminste voor mij. En ik weet echt niet meer, of dit gebouw mij de ideeën aanreikte, of dat ik mijn ideeën projecteerde in dit gebouw. Maar daar is niks mis mee. In ieder goed gesprek ontstaat een " in between "- een ertussen - een ruimte, waarin de ideeën groeien en zich ontwikkelen, dank zij en ondanks de bijdragen van de verschillende sprekers.

Het eerste wat tot mij begon te spreken, was de ruime leegte - of de lege ruimte - van de binnentuin. Niet de kerk staat in het middelpunt, niet het klooster, niet het tabernakel, maar de lege ruimte, of de ruime leegte, open naar boven, naar oneindig ver.....

En ik dacht ineens: " Wat een grandioos beeld van de Onafbeeldbare! Lege ruimte...ruime leegte. niet door mensenwoorden in te vullen of te be-grijpen. Altijd anders, altijd verder, altijd grootser...." Al ons doen en laten, al ons spreken en zwijgen, al ons preken en vieren, al ons spreken en zwijgen, spelen zich af rond de "LEGE RUIMTE VAN HET NIET WETEN". Van het : "EN TOCH IS HET ANDERS". Alles, wat wij hier zeggen en doen, is " Rondom de leegte".

"O. Gij, voorbij alle namen.
Hoe anders U noemen, Onnoembare,
Gij".
(Gregorius van Nazianze, 380 na Chr.)

 

Dit relativeert al ons spreken en handelen, al ons vieren en zwijgen over God. En dat in twee betekenissen.
Het is relatief in de zin, dat het nooit het laatste, definitieve en absoluut ware woord is. Ik wéét, dat ik het niet weet, zeg ik dan met Meester Eckhart o.p.(ongev.1311)
Maar het is ook relatief in de tweede betekenis van het woord: ieder woord, ieder gebaar, iedere viering over God bouwt aan mijn/onze relatie met de Onnoembaar Grootse, die wij voor het gemak maar "God" noemen. Het zijn zogezegd liefdeswoordjes: misschien voor buitenstaanders onzin, maar ontzaglijk veelzeggend voor de Minnaar en de Beminde.

IK BEN DE ONUITSPREKELIJKE STILTE.
IK BEN HET UITSPREKEN VAN MIJN NAAM".
(Oeroude tekst uit de spiritualiteit van het Midden-Oosten,
tot ons gekomen via een boek van de Gnosis.)

En deze lege ruimte, of ruime leegte vond ik ook in het gebouw zelf. De lege muur achter het altaar suggereert, dat al wat wij doen, spreken, vieren, zeggen, zwijgen, relatief is: het speelt zich af tegen de achtergrond van het ONINGEVULDE, van het NIET-WETEN en tegen de achtergrond van de fundamentele eerbied hiervoor. Het plafond is als zwevend: alweer een symbool van die openheid, die transparantie. En de grote glasvensters suggereren hetzelfde: " Kijk maar. je ziet niet wat je ziet". Je ziet de prachtige kleuren en vormen, die het verhaal op die vensters uitbeelden: het volk in uittocht en op weg naar een stad van vrede. Maar wat je niet ziet, of slechts indirect ziet, is het Licht, dat deze taferelen van boven en van buiten zichtbaar maakt.

"Transparant voor het Transcendente", doorschijnend voor datgene, Degene, die mij/ons altijd te buiten en te boven gaat, en in Wie ik mij toch bevind, als een kind in de liefdevolle aandacht van haar moeder. Altijd grootser, dan ik ooit bevatten kan. maar ook en daarin precies: " Interior intimo meo", mij meer intiem nabij, dan ik mijzelf nabij ben. Want in al mijn individualiteit, mijn ik-zijn, mijn eigenheid, mijn vreemdheid en vervreemdheid, mijn kwetsbaarheid en mijn zondigheid, ben ik een deel van die Ruimte/Leegte. Ik heb mijn eigen plaatsje in God. En daar zal ik nooit uitvallen, in leven noch in dood. Dit kan ik niet vatten, maar is toch wáár, want dat is " Onvoorwaardelijke Liefde".

"Klim ik op tot de hoogste hemel, daar zijt Gij.
Daal ik af in de diepste diepten, Gij zijt er.
Vlieg ik met dageraadsvleugels tot aan de grenzen der zee,
U staat mij daar al op te wachten".
(Psalm 139)

 

Het kostte me vele jaren, voordat dit gebouw mij dit zacht en bescheiden begon te vertellen. en ik ben het er erg dankbaar voor. Een paar jaren geleden verschenen er geleerde studies over de " Genius Loci ": het eigen-aardige karakter, de "Geest", de eigen en unieke spiritualiteit van een plaats of van een gebouw. Wel, ik meen die "Genius Loci" in de hierboven verwoorde, unieke wijze gevonden te hebben en ik ben er het gebouw dankbaar voor. Want dank zij haar en langs zij haar heb ik veel geleerd over God en zo!

En toen vroeg iemand mij: maar stel, dat je nu gevraagd was om pastoor te worden in zo'n Barokke en/of Neogothische kerk, zoals het oude Steiger of de Olde? En ik zei:
" Ik denk, dat het gebouw me in de eerste tijd niks zou zeggen. Dat ik gewoon mijn werk zou doen in die ruimte, alsof het ook in een andere ruimte had kunnen gebeuren. Maar uit ervaring weet ik, wat er gebeurt, als je er tijd genoeg voor moet uittrekken.
De barokkale kathedraal van Malaga (1525) zei me niks en ik vond sommige elementen erin ronduit storend. maar toen gaf ik het gebouw de tijd, en waarachtig: het begon me iets te zeggen!
En ik herinner me, dat ik als klein jochie met mijn grootmoeder naar de Roomskatholieke Waterstaatskerk aan de Lange Haven in Schiedam ging. Die kerk is vol met enorme beelden. Ik vroeg:
"Oma, zijn al die beelden levend?
"Neen, natuurlijk niet, die zijn allemaal van steen. Die leven niet, behalve die ene daar...." En zij wees naar een stenen beeld van het Heilig Hart van Jezus.
Tot op de dag van vandaag weet ik niet, wat zij daar nu precies mee bedoelde. Zij was een heel nuchtere vrouw. Maar blijkbaar zei dat barokke beeld van Jezus Christus haar iets heel intiems en persoonlijks. Zo intiem, dat het voor haar levend werd?

Leo Raph. A. de Jong o.p.