SJECHINAH: De Ruimte, waarin ZIJ verblijft.

Ik was in een grote kerk, voor de zondagsviering. De kerk was overgoten met zomers zonlicht, de pianiste vulde de ruimte met tedere muziek, het koor zong en wij zongen mee, de voorganger hield een goede preek over de symboliek van al die broodverhalen in het evangelie van Marcus, er waren voorbeden voor onze zo geteisterde wereld en voor wat ons ter harte gaat.. Kortom: een bovengemiddeld goede zondagsviering. Één element van de viering werd niet genoemd – wordt bijna nooit genoemd –: de Lege Ruimte, of Ruime Leegte, waarin wij samenkomen.

Ooit was men hier gevoeliger voor. De spiritualiteit van het oude Rome kende het bestaan van de “Genius Loci”: de zeer specifieke goddelijke aanwezigheid op een bepaalde plaats. En ook in de Christelijke traditie werd dat respect voor de genius Loci voortgezet.

De kerkruimte werd “het Huis van God”genoemd; de Rooms katholieke liturgie kende vieringen, speciaal gewijd aan de consecratie van bepaalde kerken – Sint |Jan van Lateranen; Maria Maggiore – .

Terribilis est locus iste” werd er met woorden uit het Eerste Testament gezongen: “Deze plaats is ontzagwekkend”. En ook nu nog bemerk je het verzet en de emotionele protesten, wanneer een kerkgebouw moet worden afgestoten of gesloopt: “Ik ben in die kerk gedoopt! Mijn ouders zijn vanuit die kerk begraven!”. Die Ruimte is hun dus heilig geworden, of wij en de economische situatie dat nu verantwoord en rationeel vinden of niet.
Als de sloop toch moet doorgaan zou het heel goed zijn, als men in de voorbereiding ook dat element van de “Genius Loci” zou respecteren en eren, wellicht zelfs met een viering, waarin deze Aanwezigheid, die in die Ruimte verwijlt, geëerd wordt en wordt verzocht om met ons dit gebouw te verlaten. Een “Uitvaart”, juist van die Aanwezigheid, die nu verdreven gaat worden, zoals ook van de gelovigen dit kerkgebouw moeten opgeven.

In de Bijbelse traditie is dit aanvoelen overduidelijk aanwezig. De Aanwezige was in het brandende brembos, dat niet verbrandde; zij trok met het volk mee in een wolkkolom en een vuurzuil; Zij daalde neer op de tabernakeltent; Zij vulde de pasgebouwde tempel met zoveel energie, dat de priesters er even niet konden binnentreden;

Jesaia ontwaarde die Aanwezigheid in de rookwolken boven het offeraltaar; Elia besefte haar komst in de zachte windvlaag boven op de berg Horeb – dat woord betekent: Leegte – nadat hij letterlijk de gehele (geloofs)structuur van het Joodse volk achter zich had gelaten, en zo dus in de Leegte terecht gekomen was. En deze Aanwezigheid verliet de tempel, toen de Babyloniërs op het punt stonden het gebouw te vernietigen. Zij ging mee naar Babylon, in ballingschap, samen met het geteisterde volk.

Later zullen Joodse mystici deze Aanwezigheid een naam geven: SJECHINAH. Het is een vrouwelijk woord en verwant met woorden als : wonen, verblijven, verwijlen. En in die Joodse mystiek groeide haar betekenis uit tot een symbool van de vrouwelijke, moederlijke, mede-lijdende, machteloos aanwezige, altijd als in een moederschoot allen en alles omvattende Ruimte. De “Moeder van barmhartigheid”.

De Rooms katholieke leer maakte God echter zo mannelijk, zo tot een “Almachtige Vader”, dat deze Sjechinah voor de gewone gelovige uitweek naar de moeder van Jezus, naar Maria. Zij werd het moederlijk, vrouwelijk, mededogend gelaat van de Eeuwige, of theologische scherpslijpers nu vonden, dat Maria hiermee aanbeden werd, of niet!

De Ruimte, waarin Zij verwijlt. Of: de Ruimte, die Zij is. Want bij de eeuwige valt alles samen tot een enige eenheid. En nu wordt het kerkgebouw ineens heilig: Mamma God is als deze grootse wijde Ruimte, waarin wij welkom zijn, waarin wij samenkomen, waarin wij vieren, spreken en zingen, waarin wij wellicht ook stil zijn en luisteren naar die ons als een moederschoot omvattende, liefdevolle Ruimte; waarin wij mogen zijn, of anderen of wijzelf ons daar waardig genoeg voor vinden of niet.

De Ruimte is open en hoog. Zij oordeelt niet of veroordeelt niet, zoals oneindig mededogende liefde niet meer kan oordelen of veroordelen. Anders zou zij ophouden oneindig en onvoorwaardelijk te zijn. In allerlei volksverhalen leeft dat gevoel rond Maria: voor vele Christenen heeft in haar de genius loci: de Sjechinah haar woning gevonden. Wie haar trouw blijft, al is het maar met één letter – Mariken van Nimwegen noemde zich in haar verbond met de duivel “Emmeke” – zal worden gered.
Ja, er zijn zelfs verhalen, dat zij na de rechtvaardige veroordeling van de verdoemden door haar Goddelijke Zoon – Matteüs 25 – zelf naar de hel afdaalt om iedere verdoemde alsnog te redden. Want niets en niemand valt ooit buiten de Sjechinah: de Ruimte van liefdevolle aandacht van Mamma God. Haar genade is immers onvoorwaardelijk, of haar rechtsprekende Zoon het daarmee eens is of niet.

Is de Sjechinah alleen verbonden met de heilige Ruimte van een tempel of kerk? Natuurlijk niet. Overal waar Ruimte ontstaat, kan Zij verwijlen. Als ik een ander vergeef, ontstaat er die Ruimte. Als ik een ander help, opneem, troost; als ik naar het levensverhaal van een ander luister, dan geef ik hem/haar Ruimte-om-te-leven. Dan maak ik de openheid, die heilige Ruimte is. In de traditie van Johannes werd dit als volgt geformuleerd: “Wie in de liefde is, is in God en God is in hem of haar. Want God is liefde”.

Ook Jezus erkende de Joodse traditie van deze Aanwezigheid, toen Hij een wijsheid van Zijn volk aanhaalde: “Waar twee of drie in Mijn naam aanwezig zijn, ben Ik in hun midden”. De Naam: ha'Sjem: JHWH: IK-BEN-ER-MET-EN-VOOR-JULLIE. Zo verwijlt de Sjechinah ook in de levensruimte, die mensen voor mensen maken.”Ich und Du”, als Goddelijke Ruimte (M. Buber).

En soms ontmoeten wij die Sjechinah, die genius loci, als wij diep onder de indruk raken van de Ruimte van een berglandschap of van de zee, of wanneer wij opgenomen worden in de schoonheid van een muziekstuk. Want die Sjechinah kan nergens anders zijn dan overal. Alles ontstaat, groeit, leeft, werkt in die Moederschoot-van-mededogen. Het enige noodzakelijke is, dat ook ik er in mijn besef – in mijn geloven – aanwezig kom. Zoals Meister Eckhart o.p. (rond 1315) het in een preek omschreef:

God riep de dingen uit het niets: uit het niet-zijn, tot het zijn, dat zij in Hem vinden. Waar zouden de schepselen kunnen zijn, als ze niet in het zijn, als oergrond, zouden zijn? ......Buiten het zijn kan er niets zijn.....Hij heeft dus alles "In den beginne" geschapen, want in Zichzelf, in het "in den beginne" zelf. (Alles is in God:NU)
God heeft alles zo geschapen, dat Hij niet met scheppen opgehouden is, maar dat Hij altijd door schept en tot scheppen komt.

(Opus tripartitum.)

God als Moederschoot, als levensruimte, waarin alles en iedereen mag uitgroeien tot wat en wie hij/zij in aanleg is. God als Sjechinah. Te mooi om niet waar te zijn. Hiervan is de lege, hoge, grootse ruimte van een kerkgebouw een prachtig symbool. Of wij dat zien of niet.

Augustus/september 2015.
Leo Raph. A. de Jong o.p.

Sjechinah.

  Als een ijle herfstnevel wijlt zij in onze wereld,
tussen bomen, huizen, fabrieken, puinhopen
en begraafplaatsen. Vooral ook tussen de graven,
waar het zo stil geworden is, voorbij alle stemmen.

Struiken vangen haar tranen op, die glanzen in de lage zon.
Een spinnenweb tekent er motieven mee, symbolen,
die niet ontcijferd kunnen worden, want wie is in staat
om de droeve patronen van alle tranen nog te vatten?

  Sjechinah is het ijle geluid van huilende kinderstemmen
ver weg, in gebieden, waar bommen vallen, moeders sterven.
Mensen roepen dan, dat het de wil van Allah is, of zwijgen.
Het een is even machteloos nietszeggend als het ander.

  Sjechinah huilt in ijle kinderstemmen; zij is zo machteloos,
als nevel is tussen graven op stille morgens in de herfst.
De zomer is voorbij: nu rest alleen nog doodse winter.
Zal er ooit nog lente komen, zoals door sommigen gefluisterd?

  Je kunt Sjechinah niet omhelzen; zij glipt als mist tussen je vingers.
Maar heel misschien omgeeft zij even jou. Haar koele handen
strelen troostend langs hete woede, langs wanhoop en verdriet.
Een vage mantel van erbarmen; meer is er niet, en minder niet.

Sjechinah: liefde van een minnares, die bommen, ziekte en dood
niet kan verdrijven – o, dat zou zij willen! Maar die als nevel
met haar koele hand even over vermoeiden strijken wil,
alsof zij zegt: “Ik ben er, bij je, hier voor jou”.

Veel is het niet, maar wat kan liefde anders geven, dan zichzelf:
Sjechinah: verkoeling, troost en nabijheid van erbarmen,
machteloos tegen bommen en schreeuwende soldaten,
maar – mijn God! – zachter, liever, dan mij al het andere is.

 

Hoofdstuk 2.

Sjechinah: de Ruimte, waarin Zij verblijft.

(Vervolg.)

Vanmorgen, in het kloosterlijke morgengebed “de Lauden”, werd er een gedeelte voorgelezen uit de profeet Amos. God dreigde weer eens met de meest afgrijselijke straffen, die zouden nederdalen over alles en iedereen. (Blijkbaar inclusief onschuldigen, vrouwen, kinderen en baby's.) waarom? Omdat de bevolking niet precies deed, wat de Eeuwige – tenminste in de ogen van de profeet – voorschreef en eiste. Er was groot onrecht – en dat de Eeuwige daar woedend op werd, kan ik mij nog indenken – maar men ging ook naar tempels, die blijkbaar niet het goddelijk goedkeuringsstempel droegen.(Amos, 4,1-13.)

 

En men gebruikte andere Godsbeelden dan het Enige, dat volgens de profeet geautoriseerd was. Door Wie geautoriseerd? Door diezelfde God natuurlijk, die dat ene beeld autoriseerde. De slager keurt dus zijn eigen vlees. En probeert vervolgens Zijn gelijk met zware zweepslagen af te dwingen. Terecht wordt ergens anders in de Bijbel gezegd: “ Want Ik ben een jaloerse God”. Alsof dat een compliment is!

 

Wat moet ik in Godsnaam aan met zo'n God? Een God, Die bij voorbeeld via de profeet Samuel de vernietiging van een heel volk eiste, alweer inclusief vrouwen, kinderen en baby's.( 1 Samuel, 15,3) Wij zouden tegenwoordig die God aanklagen vanwege oorlogsmisdaden en volkerenmoord! Een God, Die beval, dat allerlei volken verdreven en vernietigd moesten worden, opdat Gods geliefde volk Israël een eigen plaats zou krijgen.....”Eigen volk eerst!” roepen de fascisten tegenwoordig.(Josua 3,10; 6,21; enz.)

 

En als knappe exegeten dan zeggen: “Ach, dat is historisch nooit zo gebeurd. Het zijn volksverhalen, die de geschiedenis van een klein, kwetsbaar volkje groots, meeslepend en door de Eeuwige zo gewild moeten tekenen”, dan is dat geen afdoend antwoord. Want deze exegeten beweren ook, dat wij uit die zelfde Bijbelse verhalen ons een beeld moeten maken over Wie “De God van de Bijbel” is, ook voor ons, in ons eigen christelijk geloven.

 

Kortom: dat beroep op de God van de Bijbel, in Wie wij zouden moeten geloven: ik weet het niet! Dat Godsbeeld reikt mij teveel pijn, twijfels en zelfs ongeloof aan.

En trouwens ook, wat de kerken allemaal namens God als zeker en vereist menen te mogen verkopen. Is God echt tegen het feit, dat vrouwen priester mogen worden? Is God echt tegen het feit, dat gescheiden mensen opnieuw hun liefde proberen op te bouwen, nu met een ander? Mogen die mensen echt niet meer te communie gaan?

 

Mag een elfjarig meisje, dat na een verkrachting zwanger raakte, echt geen abortus ondergaan? Moesten moeder en kind daarom geëxcommuniceerd worden, zoals inderdaad gebeurd is? Ik weet het niet.

 

Maar misschien zit precies in dat niet-weten een uitweg uit deze impasse. Meister Eckhart o.p. Zei eens in een preek (ongev.1315) “Babbel toch niet zo over God. Want als je over God babbelt, dat is pas zonde!” En een moderne geleerde (Prof. Kuitert) formuleerde het ongeveer zo: ” Alle spreken over Boven komt van beneden, ook als wij beweren, dat het van Boven komt”. Ik vind dat weten-dat-je-het-niet-weet heel bevrijdend, want nu mag ik direct al mijn twijfels, vragen, bezwaren toelaten en onder ogen zien. Dit niet-weten – “The Cloud of unknowing”, zoals een befaamd Middeleeuws mystiek werk heet - is een van de voornaamste kenmerken van de mystiek. Wat ook weer gelijk duidelijk maakt, dat kerkelijke hiërarchieën bijna natuur-noodzakelijk problemen zullen hebben met mystici.

 

Ook het woord “Mystiek” zelf heeft de betekenislaag: Geheim; er geen woorden voor hebben; gesloten voor oog en oor; niet met het menselijk verstand te bereiken. Zoals al in 380 na Chr. Gregorius van Nazianze in een gebed zei:

“O, Gij, “voorbij alle namen” – hoe anders U noemen,

Onnoembare, Gij!

Hoe kunnen woorden U loven, Gij door geen woorden

Te noemen?

Hoe zullen gedachten U bereiken: Gij door geen denken

Te begrijpen?

 

Gij, Enige, Onuitsprekelijke; en elk woord komt van U.

Gij, Enige, Onkenbare, en alle kennis komt van U.

Al wie spreekt, al wie verstomt – verheerlijke uw Naam.

Al wat denkt, al wat niet denken kan – verkondige uw lof.

 

Verwachting overal en stil verlangen, alles reikhalst

naar U, alles bidt tot U, terwijl al wie uw innerlijk

geheim bevroedt, een lied vol stilte zingt.

 

Voor U alleen blijft het al bestaan; naar U alleen hunkeren

alle dingen, Gij, aller doel en eindmeet, Gij alleen.

Gij, de Ene.

 

Gij, de Ene – niet: “de allen” – al draagt Gij alle namen.

Hoe zal ik, Enige, U noemen, Gij, Onnoembare?

Geen engel en geen mens kan U doorgronden –

Toon U barmhartig voor wie maar schepsel zijn.

 

O, Gij, ”voorbij alle dingen” –

Hoe anders U noemen, Onnoembare, Gij!”

================================

 

(Patrologia Graeca. S. Gregorii Theol. Carminum,

liber 1. Theologica, blz. 507-508.)

(Vertaling: Ton van der Stap.)

 

“Voorbij alle namen”. Voorbij alles wat wij zeggen, schrijven, menen uit de Bijbel te moeten lezen, dogmatiseren, als geloofsleer voorschrijven, enz. Wijzen naar het onbekende gebied, dat achter de muur van woorden, begrippen, opvattingen, belijdenissen, geloofsconstructies, enz. ligt. Naar de “Wijsheid voorbij alle wijsheid”, zoals een Boeddhistische tekst het formuleert. Naar de werkelijkheid, voordat wij haar indammen, bevattelijk maken en cultiveren in onze woorden, begrippen, heilige boeken, wetenschappelijke verhandelingen, enz. Meister Eckhart o.p. Hield ervan om in zijn preken met dat perspectief te spelen: “ God werd pas God, toen de schepselen “God” zeiden. Daarvoor was Hij gewoon, wat Hij was”. “Ik bid God iedere dag mij van God te verlossen”. Je moet van God houden, zoals Hij is: Niet-God, niet-persoon'. ”Jullie noemen God goed. God is niet goed. Ik durf zelfs te zeggen: ik ben beter dan God”.

Zo sloopte Meister Eckhart o.p. de woorden, die wij gewoon zijn te spreken over de/het Onnoembare. Niet om ons geloof kapot te maken, maar om het tot Oneindigheid te verdiepen: voorbij alle woorden; voorbij de muur-zonder-poorten (Zen-Boedhisme).

 

En dus mag ik tot Joshua, tot Samuël en tot Amos zeggen: “Met alle respect, maar u kunt me nog veel meer vertellen!” Dat geeft mijn – ook gelovig – denken en enorme vrijheid: een Ruime Leegte of Lege Ruimte.

Tegelijkertijd opent zich echter een afgrond: geen houvast meer hebben; geen vaste grond; geen zekerheden; geen Goddelijk gefundeerde regels van moraal; enz. Een spiritualiteit gegrond op Niets; No-thing; Nada (Johannes van het Kruis); Ongrond (Erik van Ruysebeek); op “Voorbij alle woorden”(Gregorius van Nazianze.).

 

Maar wat te doen, als er niets meer is om je aan vast te houden? Als je valt in de afgrond van het niet-weten?

 

 

Ik sta met lege handen. Nu zijn er twee wegen mogelijk: opgeven, of overgeven. En het kon wel eens zo zijn, dat beide wegen niet eens zo ver uit elkaar liggen.

Opgeven:

ik herinner mij ,dat in de jaren zeventig goedwillende leerlingen van de hogere klassen van het VWO mij zeiden: “Pater Leo, het zegt me allemaal niks meer!” Ik waarschuwde mijn collega's en de ouders voor deze – in mijn ogen gevaarlijke – ontwikkeling. Maar hun antwoord was meestal: “Ach, dat gaat wel over, als zij volwassen zijn”. Nou, het ging dus NIET over! Er kwam een kolossale golf van kerkverlating op gang, want “het zegt me allemaal niks meer”. Ik ben mij er goed van bewust, dat dit niet de enige reden van de kerkverlating is, maar het is wellicht wel de minst erkende.

 

Overgeven:

Tegelijkertijd zie ik een groeiende belangstelling voor bepaalde vormen van mediteren, die alle het karakter hebben van uitademen, van “loslaten”, van “overgave”. En dan bij het inademen als het ware “nieuw leven” ontvangen. Allerlei vormen voor stilte en objectloze meditatie zelfs.

In de officiële Rooms-katholieke kerk is hiervoor weinig belangstelling. (En daarmee mist deze kerk wellicht de aansluiting met het moderne religieuze aanvoelen. Lijkt me bijna dodelijk.)

 

Het “staan met open, lege handen” vraagt in het gebaar zelf een gevuld worden met Ruimte, met onverdiende en niet te hanteren barmhartigheid. Even totaal als de machteloze overgave totaal is.

En daar is dezelfde Meister Eckhart o.p. heilig van overtuigd. Hij sprak hier zelfs over het feit, dat God zó door de gelovige gedwongen kon worden! God – oneindige en totale Liefde – zou niet anders kunnen doen, dan die totale, open, ontvankelijke, overgegeven Leegte vullen met Zijn/Haar Aanwezigheid. Zoals een luchtledig zakje niet anders dan automatisch door lucht gevuld gaat worden, als je het opent.

En weer verschijnt hier het idee van de Sjechinah: de door de Eeuwige gevulde Ruimte, waarmee Hij/Zij om ons en in ons aanwezig is.

 

Toch moet ik bekennen, dat hier weer een vooronderstelling een rol speelt: er bestaat een God, die onbegrensde Liefde is. In de tijd van Meister Eckhart o.p. (ongev. 1300) was dit een als vanzelfsprekend aangenomen feit. Maar hoe gaan wij nu met om met de vraag, of dat waar is of niet?

 

Wellicht is het goed om bij het benaderen van die vraag terug te gaan naar de basiselementen van alle menselijk leven, naar het menselijk bestaan zelf en naar de ademhaling. Hoe verhoudt zich het menselijk leven in zijn basale vorm tot de vragen over gave, opgave en overgave?

 

Een eerste fundamenteel gegeven van het menselijke leven is, dat ik “In het bestaan geworpen” ben. Elementen, die zeer bepalend zijn voor mijn individuele leven heb ik nooit in de hand. Het feit, dat ik geboren ben; het feit, dat ik daar, toen en in die cultuur geboren ben: in 1932, in Nederland, uit goedwillende gelovige ouders. Ik had niets in te brengen ten opzichte van grote levenservaringen, zoals het uitbreken van de Tweede wereldoorlog; het feit, dat ik geen Jood ben; het feit, dat geen bom of granaat te dicht in mijn buurt ontplofte; het feit, dat ik de hongerwinter overleefde. Het leven en overleven is heel vaak een feit van toevalligheid: het valt mij toe, of ik dat op prijs stel of niet.

 

Het verloop van mijn leven en van mijn gezondheid is ook weer iets. dat ik voor een heel groot deel niet in eigen hand heb. Ik kan boffen en ontzaglijk veel pech hebben in mijn leven; gezegend zijn met een goed stel hersens, of het met heel veel minder moeten doen. En ook het einde van mijn leven is maar zeer beperkt in eigen hand. Ook de dood overvalt me, zoals de geboorte.

 

Het leven is als de ademhaling. Bij de inademing ontvang ik nieuw leven; bij de uitademing geef ik het terug; in de korte pauze ertussen ben ik in afwachting. Bij de geboorte komt de eerste inademing, als een schreeuw. Bij de dood “blaas ik de laatste adem uit”. Daartussen ligt het leven met in- en uitademingen. Met ontvangen, loslaten en afwachten.

Zo kan de ademhaling een existentieel gebed worden: “Nieuw uit U. Terug naar U. Rust in U.” Niet voor niets zijn in verschillende culturen de woorden voor ademen en voor (Goddelijke) Geest een en hetzelfde: Rouach, Pneuma, Spiritus, “Atman is Brahman-in-mij”.

 

Kan ik – moet ik – dankbaar zijn voor mijn concrete leven? Allereerst wil ik zeggen, dat op zulk fundamenteel niveau niets meer “moet”. Wij zijn hier voorbij de vragen naar goed en kwaad. Het gaat hier veel meer over fundamentele beleving: hoe ervaar ik mijn eigen levensgang? Dankbaar? Als een ramp? Als een gave? Als een noodlot? Ik kan natuurlijk niemand verwijten of prijzen over het feit, dat iemand zijn/haar leven zo en zo beleeft.

Ik kan deze beleving bewonderen of er medelijden mee hebben, dat wel. Maar die reacties handhaven de respectvolle afstand, die ik te bewaren heb ten opzichte van het geheim van een ander en van zijn/haar individuele levensgang.

 

Als ik mij fundamenteel dankbaar voel over het leven, zoals het mij gegeven is, dan zal ik het ervaren als een “gave”. Dat kan direct een venster openen naar de oorsprong van deze gave: de Gevende instantie. Of je die nu “God” noemt, of “de werkelijkheid”, of “het leven zelf”, of …....De naam is niet zo belangrijk; het ervaren van dankbaarheid wel.

 

Maar als ik mijn leven helaas moet aanvaarden als een rotstreek van het noodlot? Als de lege Duisternis mij totaal omvat en mij laat zeggen: “Ik weet het echt helemaal niet meer!” Dan is dankbaarheid voor het leven een veel te onmogelijke opgave. Wie zou het je kwalijk mogen nemen, dat je dit leven dan als zinloos ervaart? En dat je het woord “God” misschien zelfs niet kunt uitstaan?

Er is echter nog een ervaring, die kan opkomen in die Duistere Leegte, of Lege Duisternis. En dit zowel vanuit de duisternis van het wat mildere “niet weten”; het de dingen niet meer in de hand hebben; dus van de overgave aan deze afgrond.

Maar wonderlijk genoeg ook vanuit die afgrijselijke duisternis van de pijn, wanhoop en zinloosheid.

Om het met de woorden van Meister Eckhart o.p. te zeggen: “In die stille, lege, duistere afgrond kan een nieuw Woord geboren worden”. Als in een baarmoeder, waarin nieuw leven ontstaat, ondanks en dank zij het leven, dat die baarmoeder omgeeft. Ik vermoed, dat je dit eerst zelf op een of andere manier mee hebt moeten maken, voordat de waarheid ervan tot je kan doordringen.

Als het gebeurt, bewijst het niets en het is vaak heel moeilijk om het onder woorden te brengen. Maar het effect ervan is in het leven en werken van deze mensen vaak heel duidelijk merkbaar, dat wel.

In de overgave aan het niet meer weten kan een nieuw Woord geboren worden.

Dat kan plotseling gebeuren als een bliksemflits in de nacht. Dat Woord kan ook langzaam in het bewustzijn dagen. Maar het hele inzicht wordt naar een ander niveau getrokken, en dat zal ook voor het denken en doen van deze mens een nieuwe fase betekenen. Je zult je bewust zijn, dat dit nieuwe je geschonken is; je hebt het niet zelf gefabriceerd. Het is “ondanks jou, dank zij jou”. Het nieuwe Woord houdt de glans van onverwachte genade. “Een doorbraak”, noemde Meister Eckhart o.p. Deze ervaring.

 

Deze ervaring vindt niet alleen plaats op het terrein, dat wij Godsdienst, spiritualiteit of mystiek noemen. Ook in de wetenschap en de kunst is zij te herkennen. Een onderzoek loopt vast; niemand weet meer, hoe nu verder. En dan ineens gebeurt HET! Iemand krijgt een anders gericht idee en de impasse is doorbroken. Als een van de vele voorbeelden herinner ik mij, dat men spijtig moest constateren, dat schimmels vaak de kweek van bacteriën vernietigden. Totdat bij iemand ineens het idee opkwam: “Maar dan kunnen wij die schimmels ook gebruiken om bacteriën te bestrijden”. En daarmee was penicilline gevonden en de weg van de heilzame antibiotica geopend.

 

Ook een auteur kan soms met verbazing zitten toekijken, hoe in en onder zijn schrijven een verhaal ontstaat. Of een musicus kan diep onder de indruk raken van zijn eigen orgelspel. Het is dan, alsof niet hij meer speelt, maar dat HET speelt via hem. Niet voor niets gebruiken wij in oorsprong religieuze woorden voor dit soort ervaringen: creativiteit, inspiratie, wonderlijk mooi. Maar wat is dat “HET”, dat als het ware van binnenuit het werk overneemt en er een nieuwe dimensie aan geeft?

 

Heilige boeken spreken dan van “Chokmah” , van “Sophia”, van “Wijsheid”, van “Verlichting”. “Ineens ging mij een licht op”, zeggen wij soms. In de literatuur van de Gnosis en ook in het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie wordt hier gesproken over Logos – over het Woord. Meister Eckhart o.p. Zal zich bij deze laatste verwoording aansluiten.

 

Het begin van het Johannes-evangelie: “ In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God..........Alles is door Hem geworden en zonder hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven en dat Leven was het Licht der mensen.”

 

Misschien wekt het verbazing, dat ik dat “in de geest geboren worden van het Woord” niet beperk tot een ervaring op het gebied van Godsdienst en spiritualiteit, maar ook van toepassing vind op het gebied van wetenschap en kunsten, zelfs als men daar in de verste verte niet het woord “God” voor zou willen gebruiken.

Ik vind het nogal arrogant om Gods werking in te perken tot het typisch Godsdienstige terrein! God zit niet gevangen in de gouden kooi van de kerken. En of wetenschappers en kunstenaars al dan niet het woord “God” voor deze inspiraties gebruiken – sommigen doen dat overigens wel degelijk! – is natuurlijk voor de inwerking Gods niet relevant. Wie weet werkt God zelfs bij voorkeur anoniem. Daarover zou ik ook nog wel eens willen mijmeren.

 

En helaas kunnen die wonderlijke nieuwe ontdekkingen, die geboren worden in de menselijke geest, ook weer verschrikkelijk misbruikt worden. In hetzelfde Johannes-evangelie, waar gesproken wordt over de “menswording van dat Woord” in Jezus van Nazareth en in alle mensen van goede wil, wordt ook verteld, dat ditzelfde mensgeworden Woord gevangen genomen, getreiterd en op afschuwelijke wijze ter dood werd gebracht. Maar ook, dat de kracht van dit Woord sterker zal zijn, dan alle menselijke misdadigheid. Het Woord zal verrijzen in de geest van de mens, steeds opnieuw, tegen alle verdrukking in.

 

Sjechinah: de ontvankelijke Ruimte van bereidwilligheid om nieuwe wegen in te slaan; de vruchtbare grond, die wacht op het zaad. Het Woord: Gods geboorte in die ontvankelijke Ruimte; het Woord dat zegt: “Zie, Ik maak alles nieuw”. Toekomst is begonnen.

September 2015.

Leo Raph. A. de Jong o.p.

terug naar "bezinning"